Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2020:523

2020-02-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 18/750 AOW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2020-02-13
Publicatiedatum
2020-02-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Proces-verbaal
Zaaknummer
18/750 AOW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar voor een gehuwde pensioengerechtigde. De rechtbank heeft op basis van de in de aangevallen uitspraak genoemde feiten en omstandigheden met juistheid geoordeeld dat bij appellant en zijn echtgenote geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het feit dat appellant en zijn echtgenote zijn gescheiden van tafel en bed maakt het voorgaande niet anders omdat de scheiding van tafel en bed niet leidt tot ontbinding van het huwelijk.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.698 tekens)
18750 AOW-PV


Datum uitspraak: 13 februari 2020




Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 29 januari 2018, 18/29 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[Appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)




Zitting heeft: mr. H. Benek
Griffier: E.D. de Jong



Ter zitting zijn verschenen: mr. T.P. Boer, advocaat, voor appellant, en mr. G.E. Eind voor de Svb.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Appellant was ten tijde hier van belang gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Hij ontving laatstelijk een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hierbij ging de Svb ervan uit dat appellant duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Bij besluit van 11 september 2017, in stand gelaten bij beslissing op bezwaar van 6 december 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant vanaf september 2017 herzien naar voor een gehuwde pensioengerechtigde. Aan de besluitvorming liggen de bevindingen van het onderzoek naar het recht op ouderdomspensioen van appellant en zijn echtgenote ten grondslag. Die bevindingen zijn neergelegd in de rapporten met bijlagen van 18 en 28 augustus 2017. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb geconcludeerd dat bij appellant en zijn echtgenote geen sprake is van duurzaam gescheiden leven ook al zijn zij in 2013 gescheiden van tafel en bed.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat bij appellant en zijn echtgenote geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De voorzieningenrechter heeft hierbij van belang geacht dat appellant en zijn echtgenote nog frequent contact hebben. De echtgenote komt zeker vier keer per week bij appellant thuis. Als appellant ziek is, komt zij elke dag om de hond uit te laten. Verder bezoeken appellant en zijn echtgenote samen nog wel eens vrienden en kennissen. Gelet op deze feiten heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant vanaf september 2017 op goede gronden herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens hem is wel sprake van duurzaam gescheiden leven. Dat zijn echtgenote ook zijn mantelzorger is, hoeft volgens hem niet te betekenen dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

4. Voor zijn vaste rechtspraak over het begrip duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3017 en ECLI:NL:CRVB:2019:3018.

5. De rechtbank heeft op basis van de in de aangevallen uitspraak genoemde feiten en omstandigheden met juistheid geoordeeld dat bij appellant en zijn echtgenote geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderschrijft dit oordeel en de overwegingen over de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd volledig. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd doet hier niet aan af. Dit betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat ten tijde hier van belang sprake was van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Het feit dat appellant en zijn echtgenote zijn gescheiden van tafel en bed maakt het voorgaande niet anders omdat de scheiding van tafel en bed niet leidt tot ontbinding van het huwelijk.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Waarvan proces-verbaal.




De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer



(getekend) E.D. de Jong (getekend) H. Benek








Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.