Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2019:3959

2019-12-03 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 17/7878 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2019-12-03
Publicatiedatum
2019-12-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17/7878 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten fysiotherapie. De Zvw is een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 PW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.165 tekens)
177878 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 november 2017, 17/428 en 17/2808 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te Canada (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)




Datum uitspraak: 3 december 2019



Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: I.A. Siskina



Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door O.H. Stom.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



Het gaat om twee afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten van fysiotherapie. Het college heeft de aanvragen afgewezen omdat sprake is van een voorliggende voorziening en niet gebleken is van een zeer dringende reden om alsnog bijstand toe te kennen.



Met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie is – zo is niet geschil – de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regeling Zorgverzekeringswet een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (PW). Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW strekt het recht op bijstand zich niet uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien in de voorliggende voorziening de bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van die kosten kan het bijstandverlenend orgaan daar in beginsel geen bijzondere bijstand voor toekennen. In dit geval is er een bewuste keuze gemaakt door de eerste twintig behandelingen niet voor vergoeding in aanmerking te brengen onder het basispakket.



De omstandigheid dat - zoals appellant stelt - de kosten noodzakelijk waren, gelet op de verwijzingsbrief van de specialist, is gelet op het voorgaande niet van belang. Vanwege de bewuste keuze om de eerste twintig behandelingen uit te sluiten, bestaat voor het college geen ruimte om de aangevraagde bijzondere bijstand toe te kennen. De enkele omstandigheid dat appellant stelt dat hij zich niet aanvullend heeft kunnen verzekeren doet er niet aan af dat er sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de PW.



Appellant heeft geen zeer dringende redenen gesteld in de zin van artikel 16 van de PW. Het beroep daarop gaat niet op.



Het hoger beroep slaagt niet.



Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.










Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer





(getekend) I.A. Siskina (getekend) P.W. van Straalen