Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2019:2492

2019-07-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 19/1759 WMO15-VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2019-07-17
Publicatiedatum
2019-07-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
19/1759 WMO15-VV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen is niet bedoeld om door middel van “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen en voorrang te geven op andere zaken. Vaste rechtspraak van de Raad. De gevraagde voorziening , een − op maat gemaakte − traplift, ontbeert een voorlopig karakter. Geen aanleiding om tot toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening over te gaan.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.725 tekens)
19/1759 WMO15-VV

Datum uitspraak: 17 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter


Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening


Partijen:



[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)


het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)


PROCESVERLOOP


Namens verzoekster heeft mr. F. Bouyaghjdane, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 februari 2019, 17/683 (aangevallen uitspraak) en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2019. Voor verzoekster is
mr. Bouyaghjdane verschenen. Het college heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.


OVERWEGINGEN

1. Verzoekster heeft bij het college een aanvraag om een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ingediend. Zij wenst een traplift om wegens haar angstproblematiek `s nachts haar ouders, die op een hogere verdieping slapen, te kunnen bereiken. Bij besluit van 31 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
25 januari 2017, heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat tweedelijns behandeling van de angstproblematiek voorliggend is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder andere overwogen dat er ook volgens de door de rechtbank benoemde deskundige behandelmogelijkheden voor de angstproblematiek van verzoekster zijn en dat er geen grond is voor twijfel aan de zorgvuldigheid en de inhoudelijke juistheid van het rapport van de deskundige.

3. Verzoekster heeft een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van de verstrekking van een traplift.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.



4.2.
Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van verzoekster meegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is ingediend om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak te krijgen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1332) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen echter niet bedoeld om door middel van “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen en voorrang te geven op andere zaken. Het is de voorzieningenrechter niet kunnen blijken dat appellante in relevante andere omstandigheden verkeert dan andere rechtzoekenden die hun geschil aan de Centrale Raad van Beroep hebben voorgelegd.



4.3.
Bij hetgeen is overwogen in 4.2 komt dat de gevraagde voorziening een voorlopig karakter ontbeert. Aan de orde is de verstrekking en de aanleg van een − op maat gemaakte − traplift. Indien de door verzoekster gewenste voorziening wordt getroffen en de aangevallen uitspraak in de bodemzaak vervolgens in stand blijft, zal verzoekster voor aanzienlijke kosten komen te staan. Te denken valt hierbij aan de kosten van montage en demontage en die van het waardeverlies van de traplift. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft verzoekster desgevraagd verklaard niet voor deze kosten op te willen draaien.



4.4.
De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om tot toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening over te gaan.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.





(getekend) J. Brand





(getekend) M. Graveland







IJ