Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2019:1299

2019-03-26 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 17/4448 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2019-03-26
Publicatiedatum
2019-04-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17/4448 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Geen rechtmatig verblijf. Voor rechtmatig verblijf tijdens beroep tegen beslissing op bezwaar van de staatssecretaris is een rechterlijke uitspraak nodig.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.423 tekens)
174448 PW-PV


Datum uitspraak: 26 maart 2019



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 mei 2017, 16/8578 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[Appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)




Zitting heeft: A.B.J. van der Ham, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: L. Hagendijk



Appellante en gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Bij besluit van 28 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 november 2015, en aangevuld bij besluit van 13 december 2016, heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) de verblijfsvergunning van appellante met ingang van 8 april 2014 ingetrokken. Bij uitspraak van 2 maart 2017, na tussenuitspraak van 7 juni 2016, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 november 2015 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2. Bij besluit van 14 maart 2016 heeft het college de aanvraag van appellante van 10 maart 2016 om bijstand afgewezen. Bij besluit van 12 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante geen verblijfsrecht had op grond van artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Zij kan daarom niet gelijkgesteld worden met een Nederlander in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de Participatiewet.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante alleen hangende het bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. Na de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris had appellante geen rechtmatig verblijf.

4. Appellante heeft aangevoerd dat zij wel rechtmatig in Nederland verbleef in de periode van 10 maart 2016 tot en met 14 maart 2016. Deze grond slaagt niet. De Raad is het eens met de rechtbank. Voor rechtmatig verblijf in Nederland, in afwachting van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris, is een uitspraak van de rechter nodig, bijvoorbeeld op een verzoek om een voorlopige voorziening, op grond waarvan uitzetting van appellante achterwege moet blijven. Van een dergelijke uitspraak is niet gebleken. Het hoger beroep slaagt daarom niet.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer





(getekend) L. Hagendijk (getekend) A.B.J. van der Ham






NW