Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:812

2018-03-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 16/6863 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-20
Publicatiedatum
2018-03-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16/6863 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Geen duidelijkheid gegeven over stortingen op bankrekening.

Citeert (1)

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.883 tekens)
166863 PW


Datum uitspraak: 20 maart 2018



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 september 2016, 16/3382 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)




PROCESVERLOOP



Namens appellante heeft mr. H. Zahi hoger beroep ingesteld.



Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.





OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.



1.1.
Op 10 november 2015 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW).



1.2.
In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand heeft het college onder meer appellante verzocht om bankafschriften over te leggen.



1.3.
Bij besluit van 21 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de stortingen op eigen rekening in oktober en november 2015 van in totaal € 1.430,- respectievelijk € 1.800,-, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daartoe is overwogen dat appellante niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de stortingen het gevolg waren van leningen die door familie en vrienden zijn verstrekt voor het levensonderhoud van appellante.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de stortingen wel degelijk leningen zijn ten behoeve van haar levensonderhoud. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de onder 1.3 vermelde kasstortingen er niet aan in de weg staan dat het recht op bijstand over de maand december 2015 wel kan worden vastgesteld. Appellante heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van 21 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2290).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.




4.2.

Appellante heeft niet aan de onder 4.1 vermelde bewijslast voldaan. De enkele stelling, dat de onder 1.3 vermelde stortingen leningen zijn die door familieleden en vrienden zijn verstrekt ten behoeve van het levensonderhoud van appellante, zijn hiertoe onvoldoende. Objectieve en verifieerbare gegevens ontbreken. Daarbij komt dat ten tijde van de aanvraag het e-mailadres en telefoonnummer van appellante voorkomt in de contactgegevens van een website waarop diensten als trouwplanner werden aangeboden. Dat deze website inactief was en verband hield met de vroegere intentie van appellante om als zelfstandig trouwplanner te beginnen, heeft appellante niet met nadere gegevens onderbouwd. Dit brengt mee dat niet uitgesloten kan worden dat de kasstortingen betrekking hadden op de aangeboden diensten
als trouwplanner. Vorenstaande brengt tevens mee dat het beroep op de uitspraak van
21 juni 2016 niet slaagt. In dat geval was sprake van bijschrijvingen van derden op de rekening van de betrokkene en waren geen aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat de betrokkene over meer middelen beschikte.




4.3.
Door geen duidelijkheid over haar financiële situatie te verschaffen, is appellante tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op haar rustende inlichtingenverplichting. Hierdoor is niet vast te stellen of appellante verkeerde in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de PW.



4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.





(getekend) A.B.J. van der Ham





(getekend) P.C. de Wit







LO