Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:4193

2018-12-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 16/2436 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-20
Publicatiedatum
2018-12-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16/2436 WAO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. De standpunten die verzoekster aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar ook de stukken die zij daarbij heeft overgelegd, zien niet op feiten of omstandigheden die voldoen aan de onder 3.1 en 3.2 strikt genoemde voorwaarden. De standpunten van verzoekster, die zij ter zitting nader heeft toegelicht, hadden in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid al aan de orde kunnen worden gesteld.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.344 tekens)
162436 WAO


Datum uitspraak: 20 december 2018



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 april 2016, 14/7129 WAO






Partijen:




[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)




PROCESVERLOOP



Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 april 2016.



Het Uwv heeft op het verzoek een reactie gegeven.



Verzoekster heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop een reactie gegeven.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2018. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.





OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 18 april 2013 heeft het Uwv geweigerd de uitkering die verzoekster op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 februari 2013 te herzien. Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.




1.2.
De rechtbank Limburg heeft bij uitspraak van 5 december 2014, 13/3559, het beroep van verzoekster tegen het besluit van 24 oktober 2013 ongegrond verklaard.



1.3.
Bij de uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1281, waarvan nu herziening wordt gevraagd heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. De Raad heeft de rechtbank in haar oordeel gevolgd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak. Omdat verzoekster geen nadere objectieve medische informatie had overgelegd waaruit bleek dat zij binnen vijf jaar na 22 februari 2007, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak, meer beperkt was dan opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 oktober 2006, zag de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dan de rechtbank had ingenomen.

2. Verzoekster heeft aan haar herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat zij kan aantonen en bewijzen dat het Uwv veel fouten heeft gemaakt. Door verzoekster is, kort samengevat, aangevoerd dat het Uwv geen correcte dossierverzameling heeft gemaakt, dat in het dossier van het Uwv stukken ontbreken, dat in de stukken van het Uwv verkeerde data worden vermeld en dat het onderzoek door de primaire verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster nadere (medische) stukken overgelegd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
De Raad benadrukt dat een onherroepelijk geworden uitspraak alleen kan worden herzien als aan alle drie de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan.



3.2.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
2 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4621) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, ook niet om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb.




3.3.

De standpunten die verzoekster aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar ook de stukken die zij daarbij heeft overgelegd, zien niet op feiten of omstandigheden die voldoen aan de onder 3.1 en 3.2 strikt genoemde voorwaarden. De standpunten van verzoekster, die zij ter zitting nader heeft toegelicht, hadden in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid al aan de orde kunnen worden gesteld. De door verzoekster overgelegde stukken
die betrekking hebben op haar gezondheidssituatie in de periode van 22 februari 2007 tot 2 februari 2012 waren al bekend en voorzover ze niet bekend waren hadden die stukken in de procedure die geleid heeft tot de uitspraak van de Raad van 6 april 2016 ingediend kunnen worden. Als die stukken eerder bekend waren geweest, hadden ze niet tot een andere uitspraak geleid, omdat in de overgelegde stukken ook geen aanwijzingen zijn te vinden dat verzoekster binnen vijf jaar na 22 februari 2007, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak, meer beperkt was dan opgenomen in de FML van 19 oktober 2006. Verder zijn er ook nog stukken ingediend die geen betrekking hebben op de periode van 22 februari 2007 tot 2 februari 2012 en deze stukken kunnen daarom ook niet leiden tot herziening.


4. Dit betekent dat het verzoek om herziening op grond van wat hiervoor is overwogen moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2018.




(getekend) M.C. Bruning





(getekend) G.D. Alting Siberg






TM