Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:318

2018-01-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 16-6924 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-30
Publicatiedatum
2018-02-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16-6924 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering na ontmanteling hennepkwekerij met 11 planten. Bij het kweken van meer dan 5 plantjes geen sprake van kweek voor eigen gebruik. Geen administratie op grond waarvan recht kan worden vastgesteld.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.726 tekens)
166924 PW


Datum uitspraak: 30 januari 2018



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
21 september 2016, 16/3256 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)




PROCESVERLOOP



Namens appellant heeft mr. R.M.L. Theelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.





OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.



1.1.
Appellant ontvangt sinds 19 juni 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet.



1.2.
Op 26 januari 2015 heeft de politie Den Haag in de woning van appellant een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. Naar aanleiding hiervan hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers kennis genomen van een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van de politie Den Haag van 26 januari 2015. Verder hebben de medewerkers appellant verhoord en hebben zij op 11 februari 2015 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 november 2015. Uit dit rapport blijkt (samengevat) dat de politie op 26 januari 2015 in de woning van appellant een tent heeft aangetroffen waarin elf hennepplanten van ongeveer twee meter hoog stonden. In de tent hing een koolstoffilter en waren drie assimilatielampen geïnstalleerd. De luchtverversing en luchtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. De stroom werd op legale wijze afgenomen.



1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van
24 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 maart 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 6 december 2014 tot en met 26 januari 2015 ingetrokken en de over die periode verstrekte bijstand tot een bedrag van € 1.604,02 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op 26 januari 2015 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij bestaande uit elf hennepplanten is aangetroffen waarmee appellant vanaf 6 december 2014 was begonnen. Door hiervan geen mededeling te doen aan het college heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Omdat appellant van de exploitatie van de hennepkweek geen deugdelijke administratie bij heeft gehouden, kan het recht op bijstand over de periode van 6 december 2014 tot en met 26 januari 2015 niet vastgesteld worden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op 26 januari 2015 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen bestaande uit elf planten van ongeveer twee meter hoog. Evenmin is in geschil dat appellant deze kwekerij heeft geëxploiteerd en hij daarvan geen opgave heeft gedaan aan het college.



4.2.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake was van hennepteelt voor eigen gebruik en niet voor commerciële handel. In dit kader heeft appellant erop gewezen dat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijke vordering tegen hem heeft ingesteld.



4.3.

Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van
6 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1995 en van 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4606) kan bij het kweken van meer dan vijf hennepplanten al geen sprake meer zijn van kweek voor uitsluitend eigen gebruik. Nu in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij bestaande uit elf hennepplanten is aangetroffen, kan reeds om die reden niet worden geoordeeld dat deze planten enkel voor eigen gebruik bestemd waren. Dat het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijke vordering tegen appellant heeft ingesteld doet aan het vorenstaande niet af.




4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat geen oogst heeft plaatsgevonden, zodat hij geen inkomsten uit hennepteelt kan hebben genoten. Daarnaast heeft appellant erop gewezen dat uit het rapport van 24 november 2015 volgt dat een van de medewerkers tijdens het huisbezoek op 11 februari 2015 heeft opgemerkt dat de bijstand ongewijzigd kan worden voortgezet. Het college heeft zijn bijstand dan ook ten onrechte ingetrokken.



4.5.

De stelling van appellant dat hij met de hennepteelt niets heeft verdiend, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, steeds rekening worden gehouden met inkomsten. De hoogte daarvan kan worden bepaald indien van de investeringen in en de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie voorhanden is. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dit komt voor risico en rekening van appellant. Voorts kan uit het rapport van 24 november 2015 worden afgeleid dat de opmerking van de medewerker tijdens het huisbezoek van 11 februari 2015 alleen is gericht op voortzetting van bijstand voor de toekomst. Uit het rapport van
24 november 2015 volgt dat de medewerker tijdens het huisbezoek eveneens heeft opgemerkt dat de bijstand over de periode van 6 december 2014 tot en met 26 januari 2015 ingetrokken en teruggevorderd dient te worden.




4.6.
Door na te laten opgave te doen van de kweek van hennepplanten heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de omstandigheid dat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden kan niet meer worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, appellant recht op bijstand had over de periode van 6 december 2014 tot en met 26 januari 2015. Het college was dan ook gehouden de bijstand over die periode in te trekken en van appellant terug te vorderen.



4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2018.





(getekend) A.B.J. van der Ham





(getekend) P.C. de Wit






HD