Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:1823

2018-06-06 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 17/8033 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-06
Publicatiedatum
2018-06-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17/8033 WAO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | ABkort 2018/327

Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Het Uwv heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van bezwaar ontbreken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.444 tekens)
178033 WAO




Datum uitspraak: 6 juni 2018



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2017, 17/5324 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Namens appellante heeft mr. T.H.S.P. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. S. van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.



Zitting heeft: C.C.W. Lange.



Griffier: B. Dogan





BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en is gebaseerd op de volgende overwegingen:




1.1.
Appellante heeft zich op 21 februari 2017 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld.



1.2.
Bij besluit van 24 mei 2017 is appellante per 23 mei 2017 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).



1.3.
Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het Uwv appellante per 21 maart 2017 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij ziek is door een andere oorzaak.



1.4.
Op 7 juli 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juni 2017. Daarin is het volgende vermeld:


“[appellante] kan zich met het bestreden besluit niet verenigen omdat het, in strijd met artikel 3:2 Awb, niet is gebaseerd op een deugdelijk onderzoek naar de relevante feiten en af te wegen belangen en, in strijd met artikel 3:46 en 3:47 Awb, niet berust op een deugdelijke en kenbare motivering”.




1.5.
Bij brief van 12 juli 2017 heeft het Uwv appellante in de gelegenheid gesteld om het bezwaarschrift uiterlijk 9 augustus 2017 compleet te maken door aan te geven waarom zij het niet eens is met het besluit. Van deze gelegenheid heeft appellante geen gebruik gemaakt.



1.6.
Bij besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 15 juni 2017 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van bezwaar ontbreken.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.




3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de in het bezwaarschrift vermelde gronden voldoende concreet zijn.



3.2.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift geen concrete, op het individuele geval gerichte, bezwaargronden bevat.

4. Het oordeel van de rechtbank is juist en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Raad dat geen hoge eisen worden gesteld aan een bezwaarschrift, maar dat dit, hoe summier verwoord ook, wel een concete beroepsgrond moet bevatten.

5. In het bezwaarschrift is alleen verwezen naar artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar wat in die artikelen staat vermeld. Niet is toegelicht waaruit de bezwaren in dit concrete geval bestaan. Er zijn dus geen concrete gronden aangevoerd.

6. Verder is van belang dat het Uwv appellante bij brief van 12 juli 2017 een termijn heeft gegeven om het onder 5 genoemde gebrek te herstellen. Niet in geschil is dat appellante van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


De griffier De voorzitter



B. Dogan C.C.W. Lange







RB