Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:1587

2018-05-29 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 16/3377 NIOAW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-29
Publicatiedatum
2018-05-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
16/3377 NIOAW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen procesbelang meer bij beoordeling blokkering. De intrekking van de bijstand staat vast. Niet-ontvankelijk hoger beroep.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.137 tekens)
163377 NIOAW


Datum uitspraak: 29 mei 2018



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 april 2016, 15/3031 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)




PROCESVERLOOP



Namens appellant heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het college heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaak 16/6386 NIOAW plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Ivanović. In de zaak 16/6386 NIOAW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.





OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.



1.1.

Appellant ontving sinds 20 december 2013 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IAOW). Appellant stond sinds 20 december 2013 ingeschreven op het adres

[adres] (uitkeringsadres).




1.2.

Naar aanleiding van een melding van de afdeling Publiekszaken van de gemeente Roermond van 7 januari 2015 dat er signalen zijn ontvangen dat appellant niet woonachtig zou zijn op het uitkeringsadres, heeft een rapporteur van de afdeling Stadtoezicht op
25 februari 2015 een bezoek gebracht aan het uitkeringsadres. De rapporteur heeft appellant niet thuis aangetroffen. De rapporteur heeft toen wel een buurvrouw gesproken die desgevraagd aan de rapporteur heeft verklaard dat zij appellant nooit heeft gezien. De afdeling Stadstoezicht heeft vervolgens de sociale recherche verzocht een nader onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van appellant. Tijdens het onderzoek van de sociale recherche heeft het college de uitbetaling van de uitkering met ingang van 1 maart 2015 geblokkeerd.




1.3.
Bij besluit van 26 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2015, heeft het college de uitkering met ingang van 20 december 2013 ingetrokken. Met de uitspraak van heden in de zaak 16/6386 NIOAW heeft de Raad deze intrekking in stand gelaten.



1.4.

Het college heeft bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen de blokkering van de uitbetaling van de uitkering ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake was van een gegrond vermoeden dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in
artikel 13, eerste lid, van de IAOW heeft geschonden door onjuiste informatie te verschaffen over zijn hoofdverblijf en dat geen dan wel minder recht op uitkering bestaat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.



4.2.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat indien de intrekking van de uitkering in hoger beroep standhoudt, appellant geen belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep tegen de blokkering.



4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.



5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.





(getekend) A. Stehouwer





De griffier is verhinderd te ondertekenen





ew