Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2018:1509

2018-05-17 Bestuursrecht; Ambtenarenrecht 17-5432 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-17
Publicatiedatum
2018-05-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17-5432 AW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, Awb.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.881 tekens)
175432 AW


Datum uitspraak: 17 mei 2018




Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer











Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 januari 2017, 15/7291 AW







Partijen:




[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)



het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)




PROCESVERLOOP



Verzoekster heeft bij brief van 24 juli 2017 gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2017:76.



Verzoekster heeft een nader stuk ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 17/4218 AW, plaatsgevonden op
6 april 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en
W.G.M. Coumans.



In de gevoegde zaak is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.





OVERWEGINGEN

1. Het college heeft verzoekster bij besluit van 8 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 september 2014, wegens plichtsverzuim de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd.

2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 oktober 2015, 14/3205, bevestigd. Overwogen is dat de rechtbank het besluit van 12 september 2014 terecht in stand heeft gelaten.

3. Verzoekster heeft in haar verzoek om herziening betoogd dat zij kan bewijzen dat de uitspraak van de Raad uitsluitend is gestoeld op bedrog en leugens. Meer concreet heeft verzoekster aangevoerd dat de betrokken uitspraak moet worden herzien, omdat volgens
haar inmiddels is gebleken dat het college geen schriftelijke opdracht aan Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmann) voor het bewuste onderzoek heeft gegeven en dat het college een (onbeveiligd) e-mailverkeer met [naam] heeft gehad. Daarnaast heeft verzoekster argumenten aangevoerd onder meer met betrekking tot de lijst wijziging protocol, keylogger en digitale paperclips.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.



4.2.
Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die bij haar niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraak van 12 januari 2017 en bovendien tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De precieze wijze van totstandkoming van de overeenkomst tussen het college en Hoffman betreffende het onderzoek van de laatste kan, wat daarvan verder ook zij, niet leiden tot de conclusie dat de uit het onderzoek naar voren gekomen gegevens en de verklaring van verzoekster niet gebruikt hadden mogen worden bij de beoordeling van het plichtsverzuim. Het verzoek voldoet dus niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen.



4.3.
Verzoekster probeert met haar argumenten een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 12 januari 2017. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2506) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.



4.4.
De Raad komt tot de slotsom dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.





(getekend) E.J.M. Heijs





(getekend) A.M. Pasmans







LO