Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2017:2843
2017-08-18
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
16/6968 WUV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Appellant is ondergedoken geweest om zich te onttrekken aan verplichte tewerkstelling en om te voorkomen dat hij als pressiemiddel zou worden gebruikt tegen zijn vader, die door de Duitsers werd gezocht. Appellant heeft niet gesteld en er is ook niet gebleken dat hij vanwege zijn gestelde onderduik door de bezetter van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dat betekent dat gelet op de onder 2.2 genoemde bepaling moet worden geoordeeld dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Net als verweerder ziet de Raad in de hiervoor genoemde omstandigheden geen mogelijkheid de anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wuv toe te passen en appellant met de vervolgde gelijk te stellen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:CRVB:2019:3265 Centrale Raad van Beroep 10-10-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (4.455 tekens)
16/6968 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 18 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 oktober 2016, kenmerk BZ01103496 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant, geboren in 1927, heeft in september 2015 bij een verweerder een (samenloop)aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 dan wel de Wuv, naar gelang het gunstigst is.
1.2.
Bij besluit van 5 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wuv afgewezen op de grond dat appellant geen vervolging heeft ondergaan. Verweerder heeft overwogen dat de door appellant gestelde onderduik niet kan worden beschouwd als vervolging in de zin van de Wuv. Verder is niet gebleken dat appellant als gevolg van handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter op grond van de onttrekking aan verplichte tewerkstelling, vrijheidsberoving in de zin van de Wuv heeft ondergaan.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
De Raad merkt allereerst het volgende op. Naar de Raad begrijpt heeft verweerder ook het verzoek om toekenning van aanspraken in het kader van de Wubo afgewezen, en is ook deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd. Zoals ter zitting aan de orde is geweest heeft appellant met zijn (inleidend) beroepschrift uitsluitend beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Een beroep tegen het Wubo-besluit is bij de Raad niet aanhangig gemaakt. Hetgeen namens appellant is betoogd heeft dat niet anders kunnen maken.
2.2.
Voor zover hier van belang wordt op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wuv onder vervolging verstaan handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
2.3.
Appellant stelt dat hij ondergedoken is geweest om zich te onttrekken aan verplichte tewerkstelling en om te voorkomen dat hij als pressiemiddel zou worden gebruikt tegen zijn vader, die door de Duitsers werd gezocht. Appellant heeft niet gesteld en er is ook niet gebleken dat hij vanwege zijn gestelde onderduik door de bezetter van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dat betekent dat gelet op de onder 2.2 genoemde bepaling moet worden geoordeeld dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Net als verweerder ziet de Raad in de hiervoor genoemde omstandigheden geen mogelijkheid de
anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wuv toe te passen en appellant met de vervolgde gelijk te stellen.
2.4.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J. Tuit
HD
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 18 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 oktober 2016, kenmerk BZ01103496 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant, geboren in 1927, heeft in september 2015 bij een verweerder een (samenloop)aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 dan wel de Wuv, naar gelang het gunstigst is.
1.2.
Bij besluit van 5 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wuv afgewezen op de grond dat appellant geen vervolging heeft ondergaan. Verweerder heeft overwogen dat de door appellant gestelde onderduik niet kan worden beschouwd als vervolging in de zin van de Wuv. Verder is niet gebleken dat appellant als gevolg van handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter op grond van de onttrekking aan verplichte tewerkstelling, vrijheidsberoving in de zin van de Wuv heeft ondergaan.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
De Raad merkt allereerst het volgende op. Naar de Raad begrijpt heeft verweerder ook het verzoek om toekenning van aanspraken in het kader van de Wubo afgewezen, en is ook deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd. Zoals ter zitting aan de orde is geweest heeft appellant met zijn (inleidend) beroepschrift uitsluitend beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Een beroep tegen het Wubo-besluit is bij de Raad niet aanhangig gemaakt. Hetgeen namens appellant is betoogd heeft dat niet anders kunnen maken.
2.2.
Voor zover hier van belang wordt op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wuv onder vervolging verstaan handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
2.3.
Appellant stelt dat hij ondergedoken is geweest om zich te onttrekken aan verplichte tewerkstelling en om te voorkomen dat hij als pressiemiddel zou worden gebruikt tegen zijn vader, die door de Duitsers werd gezocht. Appellant heeft niet gesteld en er is ook niet gebleken dat hij vanwege zijn gestelde onderduik door de bezetter van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dat betekent dat gelet op de onder 2.2 genoemde bepaling moet worden geoordeeld dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Net als verweerder ziet de Raad in de hiervoor genoemde omstandigheden geen mogelijkheid de
anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wuv toe te passen en appellant met de vervolgde gelijk te stellen.
2.4.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J. Tuit
HD