Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2016:2798

2016-07-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 15/1805 WAZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2016-07-22
Publicatiedatum
2016-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
15/1805 WAZ
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.172 tekens)
15/1805 WAZ

Datum uitspraak: 22 juli 2016


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer


Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
7 oktober 2014, 13/350 WAZ


Partijen:



[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. J. van den Brink, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3378.
Het Uwv heeft een reactie op dit verzoek om herziening ingediend.


Vervolgens heeft het Uwv nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Brink. Het Uwv is niet verschenen.


OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij zijn uitspraak van 17 oktober 2014 heeft de Raad (onder meer) geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat de gestelde inkomensschade verband houdt met het uitblijven van een besluit op de aanvraag van verzoeker om een WAZ-uitkering van 10 maart 2004. Verzoeker heeft, naar het oordeel van de Raad, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde inkomensschade wegens het verlies van de marktvergunningen en het faillissement van de onderneming in maart 2005 het gevolg is van het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag.


3.1.
Verzoeker heeft bij brief van 10 maart 2015 gevraagd om herziening van deze uitspraak vanwege een nieuw feit, namelijk de brief van de burgemeester en wethouders van Castricum van 7 september 2004, waaruit blijkt dat de marktvergunning van de gemeente Castricum hem per direct is ontnomen omdat hij de leges niet had voldaan. Indien door het Uwv tijdig was beslist op zijn aanvraag om een WAZ-uitkering van 10 maart 2004, dan zou verzoeker wel over middelen hebben beschikt om de leges te voldoen en zou hij de marktvergunning hebben kunnen behouden.



3.2.
De brief van de gemeente Castricum is echter geen nieuw feit in de zin van artikel 8:119 van de Awb, aangezien deze brief al in september 2004 bij verzoeker bekend was, dus (ruim) vóór de uitspraak van de Raad waarvan herziening wordt gevraagd. Niet is gebleken dat hij niet eerder over deze brief kon beschikken. Bovendien zou de brief, ware hij bij de Raad bekend geweest ten tijde van de uitspraak van 17 oktober 2014, niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden, aangezien de Raad bij die uitspraak heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het verlies van de marktvergunningen het gevolg is van het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag. In de brief van de burgemeester en wethouders van Castricum staat vermeld dat de marktvergunning wordt ingetrokken omdat verzoeker al enige tijd niet meer op de markt aanwezig is geweest en de leges niet heeft voldaan. Hieruit blijkt niet van feiten of omstandigheden die, waren zij destijds bekend geweest bij de Raad, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden.



3.3.
Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van verzoeker is geen aanleiding.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door R. E. Bakker, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2016.





(getekend) R.E. Bakker





(getekend) L.H.J. van Haarlem





NK