Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2014:4154
2014-12-11
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
13-2646 AW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2010:BN3495 Centrale Raad van Beroep 29-07-2010
- ECLI:NL:CRVB:2012:BW3802 Centrale Raad van Beroep 24-04-2012
Geciteerd door (3)
- ECLI:NL:CRVB:2018:2290 Centrale Raad van Beroep 19-07-2018
- ECLI:NL:CRVB:2017:2204 Centrale Raad van Beroep 22-06-2017
- ECLI:NL:CRVB:2016:4299 Centrale Raad van Beroep 10-11-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.258 tekens)
13/2646 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Stichting Sirius (Openbaar Primair Onderwijs Amsterdam Zuidoost) (stichting)
Datum uitspraak: 11 december 2014
INLEIDING
Namens verzoekster heeft mr. M.E.F. Parramore, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3495.
De stichting heeft een reactie op het verzoek ingezonden.
Verzoekster en de stichting hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
OVERWEGINGEN
1. Bij zijn uitspraak van 29 juli 2010 heeft de Raad zowel de beoordeling van het functioneren van verzoekster als het aan verzoekster met ingang van 1 augustus 2007 om redenen van gewichtige aard verleende ontslag in stand gelaten.
2. Verzoekster heeft haar herzieningsverzoek allereerst gebaseerd op de stelling dat de directeur van de [naam school] niet gekwalificeerd was om haar functioneren te beoordelen, omdat deze directeur niet beschikt over de noodzakelijke akten. Daarnaast heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat zij niet had mogen worden ontslagen nu er geen assessment heeft plaatsgevonden en er zelfs geen aanvraag daartoe is gedaan.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Vastgesteld moet worden dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
3.3.
De feiten en omstandigheden waarop verzoekster zich beroept, zijn in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid ook aan de orde geweest, dan wel hadden in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld.
3.4.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3802) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) C.M. Fleuren
HD
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Stichting Sirius (Openbaar Primair Onderwijs Amsterdam Zuidoost) (stichting)
Datum uitspraak: 11 december 2014
INLEIDING
Namens verzoekster heeft mr. M.E.F. Parramore, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, 09/375 AW, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3495.
De stichting heeft een reactie op het verzoek ingezonden.
Verzoekster en de stichting hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
OVERWEGINGEN
1. Bij zijn uitspraak van 29 juli 2010 heeft de Raad zowel de beoordeling van het functioneren van verzoekster als het aan verzoekster met ingang van 1 augustus 2007 om redenen van gewichtige aard verleende ontslag in stand gelaten.
2. Verzoekster heeft haar herzieningsverzoek allereerst gebaseerd op de stelling dat de directeur van de [naam school] niet gekwalificeerd was om haar functioneren te beoordelen, omdat deze directeur niet beschikt over de noodzakelijke akten. Daarnaast heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat zij niet had mogen worden ontslagen nu er geen assessment heeft plaatsgevonden en er zelfs geen aanvraag daartoe is gedaan.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Vastgesteld moet worden dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
3.3.
De feiten en omstandigheden waarop verzoekster zich beroept, zijn in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid ook aan de orde geweest, dan wel hadden in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld.
3.4.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3802) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2014.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) C.M. Fleuren
HD