Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2026:368

2026-07-28 Bestuursrecht 26/431
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/431
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Niet gebleken van spoedeisendheid. Behandeling van het beroep op zitting gepland op 20 januari 2027.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.624 tekens)
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 26/431




uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



Ruban Holding B.V., te Zaandam (onderneming)
(gemachtigde: [naam] )


en


Autoriteit Consument en Markt (ACM)



met als derde partij

Koninklijke KPN N.V., te Rotterdam (KPN)






Procesverloop


Met het besluit van 27 december 2024 heeft de ACM het verzoek van L-Mobi Mobile B.V. om handhaving van de Mededingingswet tegen KPN afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juli 2025 ongegrond verklaard.



De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het laatstgenoemde besluit. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 juni 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:6918) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.



De onderneming heeft tegen het de uitspraak hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening dan wel een ordemaatregel te treffen.





Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108 van de Awb, kan, als bij het College hoger beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder een zitting te houden, als het verzoek kennelijk ongegrond is.



2 De onderneming heeft gevraagd om een voorlopige voorziening of een ordemaatregel die voorkomt dat de procespositie, bewijspositie en schadeverhaalspositie van de onderneming door verder tijdsverloop onomkeerbaar verslechterd. Het verzoek is uitsluitend bedoeld om te voorkomen dat de bestuursrechtelijke toetsing van het ACM-besluit door verder tijdsverloop haar betekenis verliest, aldus de onderneming.

3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van onverwijlde spoed zodat alleen daarom al geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening of een ordemaatregel te treffen. Allereerst volgt uit wat de onderneming heeft gesteld, zoals neergelegd onder 2, niet dat sprake is van onverwijlde spoed. Ook de omstandigheid dat de onderneming onder zware financiële druk staat en deze druk steeds groter wordt omdat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk heeft beoordeeld en het hoger beroep daartegen loopt, betekent op zich zelf niet dat sprake is van spoedeisendheid in die zin dat het oordeel van het College over het hoger beroep niet kan worden afgewacht. Bovendien staat geenszins vast dat deze financiële druk het rechtstreekse gevolg is van het - door de onderneming gestelde - misbruik van machtspositie door KPN. Ook is van belang dat de rechtbank het beroep van de onderneming niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de onderneming geen belanghebbende is. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in beginsel alleen daarover een oordeel kan geven en niet over de besluitvorming van de ACM.

4 Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorziening of ordemaatregel te treffen. De onderneming heeft niet concreet gemaakt welke voorziening of ordemaatregel de voorzieningenrechter zou moeten treffen om te voorkomen dat de proces-, bewijs- en schadeverhaalspositie van de onderneming onomkeerbaar verslechtert.

5 Tot slot is van belang dat het College de behandeling op de zitting van het hoger beroep van de onderneming vooralsnog heeft gepland op 20 januari 2027.

6 Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het verzoek zal dan ook met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb worden afgewezen zonder partijen in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord.

7 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.



Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.







w.g. M. Schoneveld De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.