Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2026:329

2026-07-21 Bestuursrecht 24/1094
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-07-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
24/1094
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het college van b en w heeft terecht vastgesteld dat een dwangsom is verbeurd, geen reden om te oordelen dat het college van b en w had moeten afzien van de invordering van de (gehele) verbeurde dwangsom.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.559 tekens)
uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 24/1094


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1], te Amsterdam (chauffeur)
(gemachtigde: mr. A. Azauiyat)


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)




Procesverloop in beroep


De chauffeur heeft tegen de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.



Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.



De zitting was op 22 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de chauffeur en de gemachtigden van partijen.




Inleiding


1.1
De (taxi)chauffeur beschikt niet over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).



1.2
Het college van b en w heeft op 29 augustus 2023 aan de chauffeur een last onder dwangsom opgelegd voor elke keer dat hij taxivervoer aanbiedt op de Amsterdamse opstapmarkt zonder vergunning (dwangsombesluit). Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 is dat verboden. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 5.550,- per overtreding, met een maximum van € 27.750,-. De chauffeur heeft geen rechtsmiddelen gebruikt tegen dit besluit.



1.3
Op 25 mei 2024 hebben toezichthouders geconstateerd dat de chauffeur weer taxivervoer aanbood zonder vergunning. De chauffeur stond stil op [naam 2], ter hoogte van nummer 222, een locatie die bekend staat als een illegale opstaplocatie, en liet drie mensen in zijn auto stappen. Vlak nadat de chauffeur wegreed, is de chauffeur vervolgens staande gehouden door de toezichthouders. De toezichthouders hebben van de constateringen een rapport van bevindingen opgemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w op 6 juni 2024 meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en een voornemen tot invordering gestuurd. Met het besluit van 13 juni 2024 (invorderingsbesluit) heeft het college van b en w het verbeurde bedrag van € 5.550,- ingevorderd. Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.




Beoordeling van het beroep


2.1
Het beroep is ongegrond. Het college van b en w heeft terecht vastgesteld dat een dwangsom is verbeurd. Er is geen reden om te oordelen dat het college van b en w had moeten afzien van de invordering van de (gehele) verbeurde dwangsom. Hierna licht het College dit oordeel toe.



2.2
Het dwangsombesluit, en daarmee ook de hoogte van de daarin opgelegde dwangsom, staan in rechte vast. De taxichauffeur heeft de constateringen van de toezichthouders op 25 mei 2024 niet betwist. Het college van b en w heeft daarom terecht vastgesteld dat de last onder dwangsom is overtreden en dat een dwangsom is verbeurd. Dat gebeurt namelijk van rechtswege (“automatisch”) bij overtreding van de last. De stelling van de taxichauffeur dat hij met goede bedoelingen akkoord is gegaan met het verzoek van drie klanten zonder zich de consequenties daarvan te realiseren, maakt dat niet anders. Voor een overtreding is namelijk niet vereist dat sprake is van opzet of schuld.



2.3
Zoals het College al eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140), moet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een effectieve handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden uitgevoerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit over invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsom zou hebben.



2.4
In de door de taxichauffeur aangeleverde financiële gegevens ziet het College geen grond voor het oordeel dat het college van b en w had moeten afzien van de invordering van de (gehele) verbeurde dwangsom. De gegevens geven geen volledig inzicht in de financiële situatie van de taxichauffeur. Zo ontbreken gegevens over de toeslagen die de taxichauffeur ontvangt en over de kosten en opbrengsten van zijn activiteiten als taxichauffeur. Verder valt eruit af te leiden dat het gezinsinkomen (de chauffeur is inmiddels gehuwd) niet zo laag is dat de dwangsom niet kan worden betaald, zeker niet als dat in termijnen zou gebeuren. Het is daarom niet evident dat de taxichauffeur niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Niet gebleken is dat de gestelde mentale problemen van de taxichauffeur tot een ander oordeel zouden moeten leiden.



Slotsom





3.1
Het beroep is ongegrond. De invordering blijft in stand. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.




Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.









w.g. J.L. Verbeek w.g. A.M. Slierendrecht