Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2026:298

2026-06-30 Bestuursrecht 24/982
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
24/982
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De subsidieaanvraag is terecht afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de vijfjaarseis. Geen sprake van (kortdurende) leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. De bepaling in de Lbv over de vijfjaarseis kan niet onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten zonder in strijd te komen met het Europese staatssteunkader. Dit kader kan niet opzijgezet worden door een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.827 tekens)
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 24/982


uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats]


en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)




Procesverloop in beroep



[naam] heeft tegen het besluit van 8 oktober 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.



De minister heeft een verweerschrift ingediend.



De zitting was op 12 mei 2026. Aan de zitting hebben [naam] en de gemachtigden van de minister deelgenomen.




Overwegingen



Inleiding



1. [naam] exploiteert een varkenshouderij. Op 29 november 2023 heeft [naam] subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). De aanvraag heeft betrekking op de veehouderijlocatie te [woonplaats] en ziet op drie dierenverblijven: de stallen A, B en C.

2 De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat de productiecapaciteit op de betreffende veehouderijlocatie niet gedurende vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt (de vijfjaarseis). Daarmee is volgens de minister niet voldaan aan de voorwaarde uit artikel 6, eerste lid, van de Lbv.



Beoordeling van het beroep

3 Op grond van het eerste lid van artikel 6 van de Lbv komen uitsluitend veehouders die daadwerkelijk dieren hebben gehouden en hebben geproduceerd, en de desbetreffende productiecapaciteit onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt, in aanmerking voor subsidie. In de toelichting bij de Lbv staat vermeld dat de vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaren niet betekenen dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat of leeg heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt gebruikt of niet is gebruikt. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces (Stcrt. 2023 nr. 14992, p. 23).

4 [naam] vindt dat bij de beoordeling van de vijfjaarseis niet alleen het in de periode van vijf jaren voorafgaande aan het indienen van de subsidieaanvraag aantal gehouden dieren maatgevend is, maar dat ook andere omstandigheden bij die beoordeling meegewogen moeten worden. In de jaren voor 2020 heeft [naam] geopteerd voor de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij. Die regeling eindigde op 1 januari 2020, op dat moment diende een veehouderij te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) dan wel haar activiteiten te hebben beëindigd. [naam] heeft medio 2019 de keuze gemaakt om toch door te gaan met de varkenshouderij. Om te kunnen voldoen aan het Beh is toen een luchtwasser aangeschaft, maar de voor plaatsing daarvan benodigde – op 25 oktober 2019 aangevraagde – omgevingsvergunning liet op zich wachten. [naam] had er rekening mee gehouden dat, als gevolg van noodzakelijke aanpassingen aan de stallen, in 2020 de stallen enkele maanden leeg zouden staan, maar had niet ingecalculeerd dat het uiteindelijk 19 maanden zou duren voordat de aangevraagde omgevingsvergunning zou worden verleend. Nadat, ondanks dat de aangevraagde omgevingsvergunning op dat moment nog niet was verleend, [naam] in 2021 toch weer dieren op de betreffende locatie is gaan houden is die vergunning op 12 mei 2021 alsnog verleend, onmiddellijk gevolgd door vele handhavingsprocedures. [naam] vindt het onverteerbaar dat hij uitgesloten wordt van Lbv-subsidie, terwijl hij zich steeds gehouden heeft aan de door de gemeente opgelegde eisen en voorwaarden.

5 De minister wijst erop dat kortdurende leegstand van een stal geen reden hoeft te zijn voor afwijzing van de subsidieaanvraag, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces. Mede op basis van de bij de aanvraag voor Lbv-subsidie overgelegde stukken heeft de minister de conclusie getrokken dat dit in het geval van [naam] niet aan de orde is. Uit de aan- en afvoerdata van vee valt af te leiden dat de stallen van medio februari 2020 tot begin juni 2021 en van januari 2022 tot medio augustus 2023 leeg stonden. De productiecapaciteit op de veehouderijlocatie is dus lange tijd niet op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt. De leegstand was noch tijdelijk, noch paste deze in het kader van een reguliere bedrijfsvoering. De minister blijft daarom bij zijn standpunt dat niet aan de vijfjaarseis is voldaan.

6 Het College stelt vast dat in de vijf jaren voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag sprake is geweest van (in ieder geval) twee periodes van leegstand van de stallen. De eerste periode liep van medio februari 2020 tot begin juni 2021, bijna 16 maanden, en de tweede periode liep van januari 2022 tot medio augustus 2023, ongeveer 19 maanden. Het College gaat hierbij uit van de aan- en afvoerdata van dieren op de betreffende locatie. Desgevraagd heeft [naam] aangegeven dat van die data kan worden uitgegaan. Dit betekent dat in de van belang zijnde vijf jaren de stallen in totaal ten minste ongeveer 35 maanden hebben leeggestaan. Niet kan worden volgehouden dat in die situatie sprake is van (kortdurende) leegstand die bedrijfseconomisch gangbaar is. Te meer, nu het feitelijk gaat om één aaneengesloten periode van leegstand, die [naam] onderbroken heeft door in 2021, zonder vergunning, bewust weer dieren op de locatie te gaan houden, om zo de verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning af te dwingen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de vijfjaarseis.

7 Voor zover [naam] met zijn betoog dat de minister bij de beoordeling van de vijfjaarseis ook andere dan uit de regeling volgende (bijzondere) omstandigheden had moeten meewegen, bedoeld heeft een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dat niet. De minister heeft de Lbv met daarin de vijfjaarseis aan de Europese Commissie voorgelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Lbv in overeenstemming is met de interne markt. De bepaling in de Lbv over de vijfjaarseis kan dan ook niet onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten zonder in strijd te komen met het Europese staatssteunkader. Dit kader kan, zoals de minister ook in het verweerschrift heeft toegelicht, niet opzijgezet worden door een beroep op het evenredigheidsbeginsel en staat daarom vast (zie de uitspraak van het College van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:392)).



Slotsom



8 De slotsom is dat de minister de subsidieaanvraag op grond van artikel 6, eerste lid, van de Lbv terecht heeft afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de vijfjaarseis.

9 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.



Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. van Gijzen en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2026.






w.g. R.C. Stam w.g. J.M. Baars