College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2025:40
2025-01-13
Bestuursrecht
23/1996
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet dieren. Verordening 1099/2009. Boete wegens overtreding van het voorschrift dat bepaalt dat dieren die niet kunnen lopen niet naar de slachtplaats mogen worden gesleept, maar ter plekke moeten worden gedood. Beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBROT:2023:10076 Rechtbank Rotterdam 31-10-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.231 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1996
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] de slachterij
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023, kenmerk ROT 22/1786, in het geding tussen de slachterij en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. M. Kool)
Procesverloop
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10076).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
[naam 1] heeft nadere stukken ingediend.
De zitting was op 13 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en, namens de slachterij [naam 2] en namens de minister [naam 3] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2 Op 6 oktober 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een inspectie in het kader van cameratoezicht waargenomen dat een varken, dat zich bevond in de drijfgang naar de bedwelmingsapparatuur, zich door een letsel aan de rechterachterpoot niet meer kon voortbewegen en dat het varken werd overlopen. Dit varken werd vervolgens met een ketting aan de linkerachterpoot uit de drijfgang weggesleept.
3 Volgens de minister heeft de slachterij hiermee het voorschrift overtreden dat bepaalt dat dieren die niet kunnen lopen niet naar de slachtplaats mogen worden gesleept, maar ter plekke moeten worden gedood. De minister heeft de slachterij daarom een boete opgelegd van € 2.500,-. Deze boete is in bezwaar gehandhaafd.
4 Volgens de slachterij heeft de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Zij heeft in dit geval ten onrechte geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders in het rapport van bevindingen. De slachterij wijst erop dat er drie toezichthouders naar de beelden hebben moeten kijken; kennelijk was er gerede twijfel. Verder kon de voorman zich niets van het voorval herinneren en is ook geen aanzegging ontvangen. Tot slot is bij de post mortem-keuring kennelijk ook niets bijzonders waargenomen, wat wel voor de hand zou hebben gelegen. De medewerkers van de slachterij worden getraind om volgens het protocol ‘werkzaamheden stallen’ te handelen. De overtreding is dan ook minder ernstig dan die lijkt.
5 Het hoger beroep slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat in beginsel mag worden afgegaan op feiten en waarnemingen in het rapport van bevindingen. In wat de slachterij heeft aangevoerd, ziet het College net als de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan deze bevindingen. De minister heeft toegelicht dat de omstandigheid dat de beelden eerst door twee toezichthouders en vervolgens door een dierenarts zijn bekeken, er niet op duidt dat sprake is van gerede twijfel. Dit maakt onderdeel uit van de gebruikelijke procedure en is juist gebeurd uit het oogpunt van zorgvuldigheid. Het rapport en de veterinaire verklaring vermelden beide duidelijk en concreet wat is waargenomen en deze waarnemingen zijn niet tegenstrijdig, integendeel, zij komen inhoudelijk overeen. Op grond van deze waarnemingen heeft de minister terecht de overtreding vastgesteld. In het rapport is verder vermeld dat het hoofd van de kwaliteitsdienst op de hoogte is gebracht van de overtreding en dat hem een rapport is aangezegd. Dat de voorman zich het voorval niet meer kan herinneren, kan niet afdoen aan de bewijswaarde van deze bevindingen. Hetzelfde geldt voor de afwezigheid van (vastgelegde) afwijkende waarnemingen bij de post mortem-keuring. Dat de slachterij een protocol hanteert waarin is vermeld dat varkens met letsel direct uit hun lijden moeten worden verlost, maakt dit ook niet anders. Kennelijk is het protocol in dit geval niet nageleefd.
6 Het hoger beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.R. Willemstein
Punt 1.11 in Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, gelezen in verbinding met artikel 15, eerste lid, van deze Verordening, artikel 6:2, eerste lid, van de Wet Dieren en artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren.
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1996
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] de slachterij
(gemachtigde: F.Th.M. Peters)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023, kenmerk ROT 22/1786, in het geding tussen de slachterij en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. M. Kool)
Procesverloop
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10076).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
[naam 1] heeft nadere stukken ingediend.
De zitting was op 13 januari 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en, namens de slachterij [naam 2] en namens de minister [naam 3] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Overwegingen
1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2 Op 6 oktober 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een inspectie in het kader van cameratoezicht waargenomen dat een varken, dat zich bevond in de drijfgang naar de bedwelmingsapparatuur, zich door een letsel aan de rechterachterpoot niet meer kon voortbewegen en dat het varken werd overlopen. Dit varken werd vervolgens met een ketting aan de linkerachterpoot uit de drijfgang weggesleept.
3 Volgens de minister heeft de slachterij hiermee het voorschrift overtreden dat bepaalt dat dieren die niet kunnen lopen niet naar de slachtplaats mogen worden gesleept, maar ter plekke moeten worden gedood. De minister heeft de slachterij daarom een boete opgelegd van € 2.500,-. Deze boete is in bezwaar gehandhaafd.
4 Volgens de slachterij heeft de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Zij heeft in dit geval ten onrechte geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders in het rapport van bevindingen. De slachterij wijst erop dat er drie toezichthouders naar de beelden hebben moeten kijken; kennelijk was er gerede twijfel. Verder kon de voorman zich niets van het voorval herinneren en is ook geen aanzegging ontvangen. Tot slot is bij de post mortem-keuring kennelijk ook niets bijzonders waargenomen, wat wel voor de hand zou hebben gelegen. De medewerkers van de slachterij worden getraind om volgens het protocol ‘werkzaamheden stallen’ te handelen. De overtreding is dan ook minder ernstig dan die lijkt.
5 Het hoger beroep slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat in beginsel mag worden afgegaan op feiten en waarnemingen in het rapport van bevindingen. In wat de slachterij heeft aangevoerd, ziet het College net als de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan deze bevindingen. De minister heeft toegelicht dat de omstandigheid dat de beelden eerst door twee toezichthouders en vervolgens door een dierenarts zijn bekeken, er niet op duidt dat sprake is van gerede twijfel. Dit maakt onderdeel uit van de gebruikelijke procedure en is juist gebeurd uit het oogpunt van zorgvuldigheid. Het rapport en de veterinaire verklaring vermelden beide duidelijk en concreet wat is waargenomen en deze waarnemingen zijn niet tegenstrijdig, integendeel, zij komen inhoudelijk overeen. Op grond van deze waarnemingen heeft de minister terecht de overtreding vastgesteld. In het rapport is verder vermeld dat het hoofd van de kwaliteitsdienst op de hoogte is gebracht van de overtreding en dat hem een rapport is aangezegd. Dat de voorman zich het voorval niet meer kan herinneren, kan niet afdoen aan de bewijswaarde van deze bevindingen. Hetzelfde geldt voor de afwezigheid van (vastgelegde) afwijkende waarnemingen bij de post mortem-keuring. Dat de slachterij een protocol hanteert waarin is vermeld dat varkens met letsel direct uit hun lijden moeten worden verlost, maakt dit ook niet anders. Kennelijk is het protocol in dit geval niet nageleefd.
6 Het hoger beroep is dus ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.R. Willemstein
Punt 1.11 in Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, gelezen in verbinding met artikel 15, eerste lid, van deze Verordening, artikel 6:2, eerste lid, van de Wet Dieren en artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren.