College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2025:168
2025-03-18
Bestuursrecht
22/2216
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
TVL- De minister is bij het bepalen van de omzetten en de berekening van het omzetverlies terecht uitgegaan van de aangiften omzetbelasting. Voor de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag is de minister terecht aangesloten bij de Standaard Bedrijfsindeling(SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen) en het bijbehorende vaste lastenpercentage.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2024:169 College van Beroep voor het bedrijfsleven 12-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.189 tekens)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. Y. Ouchene)
Procesverloop
Met het besluit van 2 november 2021 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 een subsidie verleend van € 2.831,92.
Met het besluit van 20 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De onderneming heeft nadere stukken ingezonden.
Op de zitting van 29 januari 2024 is dit beroep gelijktijdig behandeld met het beroep van de onderneming geregistreerd onder zaaknummer 22/2215. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
In het voorliggende beroep (zaaknummer 22/2216) is het onderzoek op de zitting geschorst. In het beroep met zaaknummer 22/2215 heeft het College op 12 maart 2024 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2024:169).
Na de zitting zijn van de minister en de onderneming (desgevraagd) berichten ontvangen over de stand van zaken.
Met het besluit van 25 juli 2024 (herzieningsbesluit) heeft de minister het bestreden
besluit ingetrokken en vervangen door het herzieningsbesluit, het subsidiebesluit herroepen en voor Q2 van 2021 een subsidie verleend van € 3.641,04.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de minister bij de berekening van het subsidiebedrag ten onrechte is uitgegaan van de Standaard Bedrijfsindeling(SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen), met een bijbehorend vaste lastenpercentage van 18. Daarnaast vindt de onderneming dat de minister voor de referentieomzet van een onjuist bedrag is uitgegaan.
2 Op de zitting van 29 januari 2024 is besproken dat het door het College in zijn uitspraak in het beroep met zaaknummer 22/2215 te geven oordeel over de vraag welke SBI-code van toepassing is, ook als uitgangspunt zal gelden in de hier voorliggende zaak. Wat betreft de referentieomzet is afgesproken dat de onderneming in de gelegenheid wordt gesteld om over Q2 van 2019 (referentieperiode) een suppletieaangifte omzetbelasting bij de Belastingdienst in te dienen. Dit om de – volgens de onderneming ten onrechte – eerder over dat kwartaal ingediende suppletieaangifte, met een omzet van € 0,-, te corrigeren. Nadat de (nieuwe) suppletieaangifte zichtbaar is in het door de minister voor subsidies op grond van de TVL geraadpleegde systeem, zal hij nagaan wat het in de suppletieaangifte opgegeven omzetbedrag betekent voor de subsidieverlening en zo nodig een nieuw besluit nemen.
3 In de hiervoor genoemde uitspraak van 12 maart 2024 heeft het College geoordeeld dat het zich kan vinden in de conclusie van de minister dat de SBI-code 85.52.1 voor dansscholen het best aansluit bij de feitelijke activiteiten van de onderneming.
4 Met het herzieningsbesluit heeft de minister voor Q2 van 2021 aan de onderneming een (hogere) subsidie verleend van € 3.641,04. Bij de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag is de minister voor de referentieomzet uitgegaan van de omzet zoals die volgt uit de – na de zitting van 29 januari 2024 – over Q2 van 2019 ingediende suppletieaangifte, te weten € 35.818,-. Verder is bij de berekening het bij de SBI-code 85.52.1 behorende vaste lastenpercentage van 18 gehanteerd.
5 Naar aanleiding van het herzieningsbesluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken en is zij, bij handhaving van het beroep, in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. Hierop is geen reactie van de onderneming ontvangen.
6 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking op het herzieningsbesluit waarmee het bestreden besluit is ingetrokken. Niet is gebleken dat de onderneming nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
7 Wat betreft de (juistheid van de) door de minister in het herzieningsbesluit gehanteerde SBI-code en het bijbehorende vaste lastenpercentage, wordt verwezen en aangesloten naar wat daarover onder 2.6 in de uitspraak van 12 maart 2024 door het College is overwogen en geoordeeld. Dit betekent dat de minister de hoogte van de subsidie terecht heeft bepaald aan de hand van de SBI-code 85.25.1 (Dansscholen).
8 Het College ziet verder geen aanleiding om te oordelen dat de minister had moeten afwijken van het uitgangspunt dat in de situatie dat een onderneming over haar hele omzet aangifte omzetbelasting doet, de (suppletie)aangifte omzetbelasting leidend is voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. Dat de onderneming onderdeel is van een fiscale eenheid maakt dat niet anders, nu het hier een zogenaamde stand-alone-situatie betreft. De onderneming heeft de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het herzieningsbesluit, niet betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag.
9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond is.
10 Het College ziet in het herzieningsbesluit aanleiding te bepalen dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht aan haar dient te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond;
bepaalt dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht van € 365,- aan haar dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2216
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats] (onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. Y. Ouchene)
Procesverloop
Met het besluit van 2 november 2021 (subsidiebesluit) heeft de minister de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 een subsidie verleend van € 2.831,92.
Met het besluit van 20 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De onderneming heeft nadere stukken ingezonden.
Op de zitting van 29 januari 2024 is dit beroep gelijktijdig behandeld met het beroep van de onderneming geregistreerd onder zaaknummer 22/2215. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
In het voorliggende beroep (zaaknummer 22/2216) is het onderzoek op de zitting geschorst. In het beroep met zaaknummer 22/2215 heeft het College op 12 maart 2024 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2024:169).
Na de zitting zijn van de minister en de onderneming (desgevraagd) berichten ontvangen over de stand van zaken.
Met het besluit van 25 juli 2024 (herzieningsbesluit) heeft de minister het bestreden
besluit ingetrokken en vervangen door het herzieningsbesluit, het subsidiebesluit herroepen en voor Q2 van 2021 een subsidie verleend van € 3.641,04.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De onderneming heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de minister bij de berekening van het subsidiebedrag ten onrechte is uitgegaan van de Standaard Bedrijfsindeling(SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen), met een bijbehorend vaste lastenpercentage van 18. Daarnaast vindt de onderneming dat de minister voor de referentieomzet van een onjuist bedrag is uitgegaan.
2 Op de zitting van 29 januari 2024 is besproken dat het door het College in zijn uitspraak in het beroep met zaaknummer 22/2215 te geven oordeel over de vraag welke SBI-code van toepassing is, ook als uitgangspunt zal gelden in de hier voorliggende zaak. Wat betreft de referentieomzet is afgesproken dat de onderneming in de gelegenheid wordt gesteld om over Q2 van 2019 (referentieperiode) een suppletieaangifte omzetbelasting bij de Belastingdienst in te dienen. Dit om de – volgens de onderneming ten onrechte – eerder over dat kwartaal ingediende suppletieaangifte, met een omzet van € 0,-, te corrigeren. Nadat de (nieuwe) suppletieaangifte zichtbaar is in het door de minister voor subsidies op grond van de TVL geraadpleegde systeem, zal hij nagaan wat het in de suppletieaangifte opgegeven omzetbedrag betekent voor de subsidieverlening en zo nodig een nieuw besluit nemen.
3 In de hiervoor genoemde uitspraak van 12 maart 2024 heeft het College geoordeeld dat het zich kan vinden in de conclusie van de minister dat de SBI-code 85.52.1 voor dansscholen het best aansluit bij de feitelijke activiteiten van de onderneming.
4 Met het herzieningsbesluit heeft de minister voor Q2 van 2021 aan de onderneming een (hogere) subsidie verleend van € 3.641,04. Bij de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag is de minister voor de referentieomzet uitgegaan van de omzet zoals die volgt uit de – na de zitting van 29 januari 2024 – over Q2 van 2019 ingediende suppletieaangifte, te weten € 35.818,-. Verder is bij de berekening het bij de SBI-code 85.52.1 behorende vaste lastenpercentage van 18 gehanteerd.
5 Naar aanleiding van het herzieningsbesluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken en is zij, bij handhaving van het beroep, in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. Hierop is geen reactie van de onderneming ontvangen.
6 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking op het herzieningsbesluit waarmee het bestreden besluit is ingetrokken. Niet is gebleken dat de onderneming nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
7 Wat betreft de (juistheid van de) door de minister in het herzieningsbesluit gehanteerde SBI-code en het bijbehorende vaste lastenpercentage, wordt verwezen en aangesloten naar wat daarover onder 2.6 in de uitspraak van 12 maart 2024 door het College is overwogen en geoordeeld. Dit betekent dat de minister de hoogte van de subsidie terecht heeft bepaald aan de hand van de SBI-code 85.25.1 (Dansscholen).
8 Het College ziet verder geen aanleiding om te oordelen dat de minister had moeten afwijken van het uitgangspunt dat in de situatie dat een onderneming over haar hele omzet aangifte omzetbelasting doet, de (suppletie)aangifte omzetbelasting leidend is voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. Dat de onderneming onderdeel is van een fiscale eenheid maakt dat niet anders, nu het hier een zogenaamde stand-alone-situatie betreft. De onderneming heeft de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het herzieningsbesluit, niet betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag.
9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond is.
10 Het College ziet in het herzieningsbesluit aanleiding te bepalen dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht aan haar dient te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
Het College:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond;
bepaalt dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht van € 365,- aan haar dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars