College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2025:148
2025-02-20
Bestuursrecht
23/992
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
TVL Q1 van 2022. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzet ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2024:882 College van Beroep voor het bedrijfsleven 03-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.341 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/992
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: J.R. Willemstein
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is mr. M. Disseldorp en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en C. Zieleman
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 3 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:882). Met deze uitspraak heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 23 februari 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister voor de gevraagde subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 bij de berekening van het omzetverlies er terecht geen rekening mee heeft gehouden dat (een deel van) de via de aangifte omzetbelasting aan de Belastingdienst opgegeven omzet eigenlijk betrekking heeft op andere kwartalen. De situatie waarin een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt en waarin kan worden gekeken naar de financiële administratie van de onderneming (artikel 2.6.3, vijfde lid, tweede volzin, van de TVL), was hier niet aan de orde.
2 De onderneming stelt zich op het standpunt dat de overweging van het College dat er slechts aan de toepassing van de tweede volzin van artikel 2.6.3, vijfde lid, van de TVL kan worden toegekomen als niet over de gehele omzet omzetbelasting betaald wordt, een te enge benadering van de tekst van de TVL is. Ook als over de gehele omzet aangifte omzetbelasting wordt gedaan, maakt deze tweede volzin het mogelijk dat omzet wordt toegerekend aan de periode waarin de prestatie wordt geleverd. Dat kan een andere periode zijn dan de periode waarin de factuurdatum valt, zoals zich hier voordoet. De onderneming heeft namelijk op 31 maart 2022 een factuur verzonden voor een prestatie die pas na Q1 van 2022 is geleverd.
3. Het College overweegt dat de onderneming van een onjuiste lezing van artikel 2.6.3, vijfde lid, tweede volzin, van de TVL uitgaat. Alleen als een onderneming niet over haar gehele omzet aangifte omzetbelasting doet, kan worden gekeken naar de financiële administratie van de onderneming. Nu de onderneming wel over haar gehele omzet aangifte omzetbelasting heeft gedaan, heeft de minister terecht de aangifte omzetbelasting gebruikt voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies.
4. Hieruit volgt dat de uitspraak van 3 december 2024 niet onjuist is, en dus is het verzet ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g J.R. Willemstein
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/992
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: J.R. Willemstein
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming) waarvoor aanwezig is mr. M. Disseldorp en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en C. Zieleman
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Overwegingen
1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 3 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:882). Met deze uitspraak heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 23 februari 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister voor de gevraagde subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 bij de berekening van het omzetverlies er terecht geen rekening mee heeft gehouden dat (een deel van) de via de aangifte omzetbelasting aan de Belastingdienst opgegeven omzet eigenlijk betrekking heeft op andere kwartalen. De situatie waarin een onderneming niet over haar hele omzet omzetbelasting betaalt en waarin kan worden gekeken naar de financiële administratie van de onderneming (artikel 2.6.3, vijfde lid, tweede volzin, van de TVL), was hier niet aan de orde.
2 De onderneming stelt zich op het standpunt dat de overweging van het College dat er slechts aan de toepassing van de tweede volzin van artikel 2.6.3, vijfde lid, van de TVL kan worden toegekomen als niet over de gehele omzet omzetbelasting betaald wordt, een te enge benadering van de tekst van de TVL is. Ook als over de gehele omzet aangifte omzetbelasting wordt gedaan, maakt deze tweede volzin het mogelijk dat omzet wordt toegerekend aan de periode waarin de prestatie wordt geleverd. Dat kan een andere periode zijn dan de periode waarin de factuurdatum valt, zoals zich hier voordoet. De onderneming heeft namelijk op 31 maart 2022 een factuur verzonden voor een prestatie die pas na Q1 van 2022 is geleverd.
3. Het College overweegt dat de onderneming van een onjuiste lezing van artikel 2.6.3, vijfde lid, tweede volzin, van de TVL uitgaat. Alleen als een onderneming niet over haar gehele omzet aangifte omzetbelasting doet, kan worden gekeken naar de financiële administratie van de onderneming. Nu de onderneming wel over haar gehele omzet aangifte omzetbelasting heeft gedaan, heeft de minister terecht de aangifte omzetbelasting gebruikt voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies.
4. Hieruit volgt dat de uitspraak van 3 december 2024 niet onjuist is, en dus is het verzet ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g J.R. Willemstein