Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2025:115

2025-02-06 Bestuursrecht 23/2018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2025-02-06
Publicatiedatum
2025-02-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
23/2018
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet van buiten zitting uitspraak waarin College heeft geoordeeld dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat deze te laat was ingediend. Verzet is ongegrond. Medische omstandigheden zijn betrokken bij de beoordeling door het College. Niet kunnen vaststellen dat niet iemand anders de aanvraag had kunnen indienen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.773 tekens)
proces-verbaal uitspraak













COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 23/2018




proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025





Rechter: mr. W.J.A.M. van Brussel


Griffier: mr. P.M. Beishuizen




Partijen




[naam 1] B.V., te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2] en mr. M.C.M.M. van de Ven



en




de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. J.W.P. van Oosten




Beslissing


Het College verklaart het verzet ongegrond.




Overwegingen

1. De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 8 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:690). In deze uitspraak heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 6 november 2023 ongegrond verklaard. Het College heeft geoordeeld dat de minister de pro-forma-aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 terecht heeft afgewezen omdat niet is gebleken dat het voor de onderneming niet mogelijk was om die aanvraag tijdig in te dienen.

2 Het College heeft vastgesteld dat de aanvraag om TVL te laat is ingediend. Wanneer sprake is van ernstige persoonlijke omstandigheden kan het in sommige gevallen leiden tot de conclusie dat het te laat indienen van de aanvraag niet wordt tegengeworpen omdat dit in strijd is met het ongeschreven evenredigheidsbeginsel.

3. Het College heeft echter niet kunnen vaststellen dat in dit geval sprake is van dergelijke omstandigheden. In genoemde uitspraak van 8 oktober 2024 zijn de medische omstandigheden van de bestuurster van de onderneming en haar echtgenoot onder ogen gezien. Verder is gebleken dat het onderneming is gelukt om voor andere aanvraagperiodes wel tijdig een aanvraag te doen, waarbij de medische omstandigheden ook in die periodes aanwezig zullen zijn geweest. Bovendien zat de aanvraagperiode voor Q1 van 2022, waarvoor de aanvraag te laat is ingediend, dicht op de vorige aanvraagperiode waarvoor wel een tijdige aanvraag is gedaan. Het College heeft ook niet kunnen vaststellen dat het voor de bestuurster van de onderneming en haar echtgenoot onmogelijk was om iemand anders, binnen of buiten de onderneming, de opdracht te geven de aanvraag tijdig in te dienen. Dat dit volgens de onderneming niet gebruikelijk is, wil niet zeggen dat het niet kan. Dit wordt bevestigd door de overgelegde verklaring van de general manager van de onderneming. Hij heeft verklaard dat de aanvraag voor TVL voor het eerste kwartaal 2022 binnen de gestelde termijn was ingediend, indien hij meer inzage had gekregen in deze voor het bedrijf belangrijke zaken. Volgens de verklaring van een medewerker van de onderneming die zich bezig hield administratieve werkzaamheden zijn de aanvragen van TVL niet bij hem belegd. Ook op grond hiervan kan het College niet vaststellen dat het voor de leiding van de onderneming vanwege de medische redenen niet mogelijk was om iemand anders de opdracht te geven de aanvraag tijdig in te dienen.
4. Het College stelt vast dat de onderneming in verzet niets heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de uitspraak van 8 oktober 2024 niet juist is. Dit betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.





w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. P.M. Beishuizen