Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2024:898

2024-10-14 Bestuursrecht 23/1271
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2024-10-14
Publicatiedatum
2024-12-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
23/1271
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. TVL Q4 van 2021. Geen afwijking van de referentieperioden. Beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.706 tekens)
proces-verbaal uitspraak













COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 23/1271




proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2024





Rechter: mr. B. Bastein


Griffier: mr. M. Ettema




Partijen




[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer),
waarvoor aanwezig zijn [naam 1] en [naam 3] ,



en




de minister van Economische Zaken,
vertegenwoordigd door mr. W. Dam en mr. P. van Veen.




Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.




Overwegingen

1. De minister heeft de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) op € 0,- vastgesteld, omdat niet aan het vereiste van een geleden omzetverlies van ten minste 20% is voldaan. De ondernemer vindt de omzet in de referentieperioden van de TVL niet representatief en vindt dat Q4 van 2018 daarom als referentieperiode moet worden gebruikt.
2 Het College oordeelt dat de minister terecht geen aanleiding ziet om af te wijken van de referentieperioden die uit de TVL volgen. Vast staat weliswaar dat Q4 van 2019 niet geschikt is als referentieperiode door een uitzonderlijke omstandigheid (sluiting als gevolg van waterschade). Dat die sluiting in Q1 van 2020 tot gevolg had dat klanten niet meteen terugkwamen, betekent niet dat ook in dat kwartaal sprake was van een uitzonderlijke omstandigheid. Dat geldt ook voor de overige omstandigheden, minder klandizie na de feestdagen en tijdens carnaval, in dat kwartaal. Die omstandigheden troffen namelijk ook andere ondernemers. Vergelijk de uitspraak van het College van 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:461).

3 Dat de minister voor de subsidieperiode Q4 van 2020 is afgeweken van de referentieperiode betekent niet dat hij dat in de subsidieperiode Q4 van 2021 ook moet doen. In Q4 van 2020 gold één referentieperiode (Q4 van 2019) waarin de ondernemer te maken had met een uitzonderlijke omstandigheid (sluiting als gevolg van waterschade). In Q4 van 2021 heeft de TVL twee referentieperioden en in één daarvan was geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid.


Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2024.







w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema