College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:83
Inhoudsindicatie
Niet in geschil is dat de onderneming geen startende onderneming is, zodat de afwijkende referentieperiode in artikel 3, derde lid, van de TVL-regeling niet van toepassing is. De minister heeft er terecht op gewezen dat de TVL-regeling verder geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de berekening van het omzetverlies, zoals geregeld in artikel 3, tweede lid, van de TVL (vgl. uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594). Dat komt er op neer dat bij de berekening van de omzet een derde van de omzet in het tweede kwartaal van 2020 opgeteld moet worden. Aan het verzoek van de onderneming om alleen de maand juni 2020 mee te nemen bij de berekening van het omzetverlies, kan dan ook niet worden tegemoet gekomen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2021:594 College van Beroep voor het bedrijfsleven 08-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.168 tekens)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1989
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. D. Uç
Partijen
[naam 1] , te [plaats] , de onderneming, waarvoor aanwezig is [naam 2] ,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, waarvoor aanwezig zijn mr. A.M.D. Dijkstra en mr. Y. Mellah.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat de onderneming geen startende onderneming is, zodat de afwijkende referentieperiode in artikel 3, derde lid, van de TVL-regeling niet van toepassing is. De minister heeft er terecht op gewezen dat de TVL-regeling verder geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de berekening van het omzetverlies, zoals geregeld in artikel 3, tweede lid, van de TVL (vgl. uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594). Dat komt er op neer dat bij de berekening van de omzet een derde van de omzet in het tweede kwartaal van 2020 opgeteld moet worden. Aan het verzoek van de onderneming om alleen de maand juni 2020 mee te nemen bij de berekening van het omzetverlies, kan dan ook niet worden tegemoet gekomen.
2 De minister heeft op basis van de aangifte omzetbelasting van de onderneming terecht geconcludeerd dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van omzetverlies. Dat door vast te houden aan de referentieperiode en subsidieperiode in artikel 3 van de TVL-regeling niet aan de eis wordt voldaan dat sprake is van 30% omzetverlies, maakt niet dat de toepassing van de TVL-regeling op dit punt onevenredig is en de minister de omzet van de onderneming op andere wijze had moeten berekenen.
3 De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D. Uç