College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:77
2024-01-29
Bestuursrecht
22/2295
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming ten minste één vestiging heeft met een ander adres dan zijn privéadres. De minister heeft dan ook terecht geoordeeld dat de onderneming niet voldoet aan het vestigingsvereiste en heeft de subsidieaanvraag (voor het derde kwartaal van 2021) terecht afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2023:287 College van Beroep voor het bedrijfsleven 13-06-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.107 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2295
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 januari 2024
Rechter: mr. D. Brugman
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats 1] (de ondernemer)
(gemachtigde: H.A.J. van Kessel),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu en mr. Y. Ouchene.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eén van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 in aanmerking te komen is het vestigingsvereiste. Dat houdt in dat een onderneming ten minste één vestiging heeft met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar van de onderneming, of dat de onderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar van de onderneming en is voorzien van een eigen opgang of toegang.
2 De ondernemer betoogt dat aan het vestigingsvereiste wordt voldaan, omdat hij voor zijn onderneming gebruik maakt van ten minste één vestiging in Nederland die niet is gevestigd op een privéadres. De minister vindt dat de ondernemer onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd die zijn betoog onderbouwen. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:287), waarin over een eerdere subsidieperiode al is geoordeeld dat de ondernemer niet voldoet aan het vestigingsvereiste.
3 Het College ziet in wat de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen dan in zijn door de minister aangehaalde uitspraak van
13 juni 2023. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt blijkt (ook) uit de in deze procedure overgelegde stukken niet dat de onderneming is gevestigd op een ander adres dan het privéadres van de ondernemer ( [adres 1] te [plaats 1] ). De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de subsidieperiode sprake was van de duurzame uitoefening van bedrijfsactiviteiten aan de [adres 2] te [plaats 1] en/of aan de [adres 3] te [plaats 2] . De door hem overgelegde foto’s van een loods en van een terrein waar vrachtauto’s en bedrijfsauto’s gestald staan, waarop met pen de mededelingen ‘ [naam 3] ’, ‘ [naam 4] ’ en ‘ [naam 5] ’, staan geschreven zijn daarvoor onvoldoende.
4 De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan het vestigingsvereiste en kon daarom de subsidieaanvraag voor het derde kwartaal van 2021 afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is hoeft de minister geen kosten aan de ondernemer te vergoeden.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2295
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 januari 2024
Rechter: mr. D. Brugman
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats 1] (de ondernemer)
(gemachtigde: H.A.J. van Kessel),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu en mr. Y. Ouchene.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eén van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 in aanmerking te komen is het vestigingsvereiste. Dat houdt in dat een onderneming ten minste één vestiging heeft met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar van de onderneming, of dat de onderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar van de onderneming en is voorzien van een eigen opgang of toegang.
2 De ondernemer betoogt dat aan het vestigingsvereiste wordt voldaan, omdat hij voor zijn onderneming gebruik maakt van ten minste één vestiging in Nederland die niet is gevestigd op een privéadres. De minister vindt dat de ondernemer onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd die zijn betoog onderbouwen. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 13 juni 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:287), waarin over een eerdere subsidieperiode al is geoordeeld dat de ondernemer niet voldoet aan het vestigingsvereiste.
3 Het College ziet in wat de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen dan in zijn door de minister aangehaalde uitspraak van
13 juni 2023. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt blijkt (ook) uit de in deze procedure overgelegde stukken niet dat de onderneming is gevestigd op een ander adres dan het privéadres van de ondernemer ( [adres 1] te [plaats 1] ). De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de subsidieperiode sprake was van de duurzame uitoefening van bedrijfsactiviteiten aan de [adres 2] te [plaats 1] en/of aan de [adres 3] te [plaats 2] . De door hem overgelegde foto’s van een loods en van een terrein waar vrachtauto’s en bedrijfsauto’s gestald staan, waarop met pen de mededelingen ‘ [naam 3] ’, ‘ [naam 4] ’ en ‘ [naam 5] ’, staan geschreven zijn daarvoor onvoldoende.
4 De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan het vestigingsvereiste en kon daarom de subsidieaanvraag voor het derde kwartaal van 2021 afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is hoeft de minister geen kosten aan de ondernemer te vergoeden.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars