College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:577
2024-08-15
Bestuursrecht
23/474 en 23/1090
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. TVL Q1 2021 en Q2 2021, vaststelling. De minister heeft terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor de visserij- en aquacultuursector. Beroepen ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CBB:2024:27 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:289 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.765 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/474 en 23/1090
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn haar gemachtigde mr. drs. J.P.G. Paffen en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P van Veen en mr. A.M.D. Dijkstra
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
De minister heeft in dit geval terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor ondernemingen actief in de visserij- en aquacultuursector. De onderneming heeft toegelicht dat zij zelf geen vis vangt, maar deze alleen verwerkt (fileren, snijden, wegen, invriezen, verpakken). Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27) geoordeeld dat ook ondernemingen die (alleen) vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Dat geldt dus ook voor deze onderneming. Dat de onderneming mogelijk ook nog andere, niet vis gerelateerde, activiteiten onderneemt, doet daar ook niet aan af. De uitzondering uit artikel 1, eerste lid, onder a, van Verordening 717/2014 waar de onderneming zich op beroept, is hier niet van toepassing. Die uitzondering gaat over een ander type subsidies.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:289) volgt dat een beroep op deze beginselen er niet toe kan leiden dat de onderneming een voordeel verkrijgt dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling, in dit geval de bepaling waaruit volgt dat het staatssteunplafond niet mag worden overschreven. Verder is geen sprake van een motiveringsgebrek, omdat de minister duidelijk heeft gemotiveerd dat en waarom het staatsteunplafond voor de onderneming geldt.
De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 van 2021 vast te stellen op € 270.000,- en de subsidie voor Q2 van 2021 op € 0,-.
De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 23/474 en 23/1090
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2024
Rechter: mr. R.W.L. Koopmans
Griffier: mr. A.A. Dijk
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn haar gemachtigde mr. drs. J.P.G. Paffen en [naam 2]
en
de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P van Veen en mr. A.M.D. Dijkstra
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
De minister heeft in dit geval terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor ondernemingen actief in de visserij- en aquacultuursector. De onderneming heeft toegelicht dat zij zelf geen vis vangt, maar deze alleen verwerkt (fileren, snijden, wegen, invriezen, verpakken). Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27) geoordeeld dat ook ondernemingen die (alleen) vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Dat geldt dus ook voor deze onderneming. Dat de onderneming mogelijk ook nog andere, niet vis gerelateerde, activiteiten onderneemt, doet daar ook niet aan af. De uitzondering uit artikel 1, eerste lid, onder a, van Verordening 717/2014 waar de onderneming zich op beroept, is hier niet van toepassing. Die uitzondering gaat over een ander type subsidies.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:289) volgt dat een beroep op deze beginselen er niet toe kan leiden dat de onderneming een voordeel verkrijgt dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling, in dit geval de bepaling waaruit volgt dat het staatssteunplafond niet mag worden overschreven. Verder is geen sprake van een motiveringsgebrek, omdat de minister duidelijk heeft gemotiveerd dat en waarom het staatsteunplafond voor de onderneming geldt.
De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 van 2021 vast te stellen op € 270.000,- en de subsidie voor Q2 van 2021 op € 0,-.
De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk