College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2024:389
2024-05-27
Bestuursrecht
23/240
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De minister mocht bij het bepalen van de omzetten en de berekening van het omzetverlies uitgaan van de bij de Belastingdienst bekende omzetgegevens. De subsidie is terecht op € 0,- vastgesteld en het al uitbetaalde voorschot is terecht teruggevorderd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2022:5 College van Beroep voor het bedrijfsleven 11-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.007 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/240
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
27 mei 2024
Rechter: mr. D. Brugman
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn
[naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. N. Huizinga, de gemachtigde van de onderneming
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door
mr. H.G.M. Wammes en W. Dam
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Het College is van oordeel dat de minister bij het bepalen van de omzetten en de berekening van het omzetverlies mocht uitgaan van de bij de Belastingdienst bekende omzetgegevens. Zowel vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid als voor beperking van de administratieve lasten, heeft de regelgever er bewust voor gekozen om bij de groep ondernemingen die aangifte doet voor de omzetbelasting, die aangifte te gebruiken voor het bepalen van de omzet. Het College heeft in zijn uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5, onder 5) al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan van dat uitgangspunt worden afgeweken.
Het College vindt de door de onderneming aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk dat de minister op grond daarvan van de Regeling subsidie vaste lasten financiering
COVID-19 had moeten afwijken.
Dit betekent dat de minister de subsidie terecht op € 0,- heeft vastgesteld en het al uitbetaalde bedrag van € 130.495,82 terecht heeft teruggevorderd.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/240
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
27 mei 2024
Rechter: mr. D. Brugman
Griffier: mr. J.M. Baars
Partijen
[naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn
[naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. N. Huizinga, de gemachtigde van de onderneming
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door
mr. H.G.M. Wammes en W. Dam
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Het College is van oordeel dat de minister bij het bepalen van de omzetten en de berekening van het omzetverlies mocht uitgaan van de bij de Belastingdienst bekende omzetgegevens. Zowel vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid als voor beperking van de administratieve lasten, heeft de regelgever er bewust voor gekozen om bij de groep ondernemingen die aangifte doet voor de omzetbelasting, die aangifte te gebruiken voor het bepalen van de omzet. Het College heeft in zijn uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5, onder 5) al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan van dat uitgangspunt worden afgeweken.
Het College vindt de door de onderneming aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk dat de minister op grond daarvan van de Regeling subsidie vaste lasten financiering
COVID-19 had moeten afwijken.
Dit betekent dat de minister de subsidie terecht op € 0,- heeft vastgesteld en het al uitbetaalde bedrag van € 130.495,82 terecht heeft teruggevorderd.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars