Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

College van Beroep voor het bedrijfsleven

ECLI:NL:CBB:2024:296

2024-04-23 Bestuursrecht 21/414
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2024-04-23
Publicatiedatum
2024-04-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
21/414
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 8:57 en 8:75a Awb: In deze uitspraak wijst het College het verzoek van de onderneming om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van daarmee verband houdende kosten af.

Citeert (2)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.124 tekens)
uitspraak













COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN


zaaknummer: 21/414




uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen






[naam] V.O.F., te [plaats] (de onderneming),
gemachtigde: mr. N.E. Koelemaij,


en




de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.




Samenvatting


In deze uitspraak wijst het College het verzoek van de onderneming om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van daarmee verband houdende kosten af.





Beoordeling
1. Partijen hebben laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. Daarom heeft het College het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb. Tevens kan bij intrekking van het beroep worden verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3 In dit geval heeft de onderneming het beroep met de brief van 9 januari 2024 ingetrokken. Wel is daarbij het al in het beroepschrift gedane en toegelichte verzoek gehandhaafd om:
i. i) de minister en/of de Staat der Nederlanden te veroordelen tot voldoening van een immateriële schadevergoeding vanwege de onredelijk lange duur van de bezwaarprocedure en/of beroepsprocedure dan wel deze beide procedures tezamen, te vermeerderen met de wettelijke rente en;
ii) de minister en/of de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding van de kosten ziende op het verzoek om immateriële schadevergoeding als voormeld.

4 Volgens de minister bestaat geen aanleiding om de verzoeken van de onderneming toe te wijzen. Daartoe wijst de minister erop dat de behandeling van de zaken gedurende een lange periode op verzoek van de onderneming is aangehouden. Verder is het beroep vervolgens ingetrokken na de uitspraak van het College van 12 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:496). Dat duidt er volgens de minister op dat de spanning en frustratie uitsluitend is veroorzaakt door die procedure. Daarvoor is in die procedure ook al een schadevergoeding toegekend.


5.1
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met de indiening van het bezwaarschrift op 30 juli 2015 en geëindigd (in ieder geval) op 9 januari 2024 met de intrekking van het beroep. Het College is van oordeel dat de zeer lange duur van de procedure, van de bezwaar- en beroepsfase tezamen, in dit geval niet aan de minister en/of het College (de Staat der Nederlanden) valt tegen te werpen. Daartoe acht het College in de eerste plaats van belang dat deze procedure samenhangt met een aantal andere zaken die bij het College in behandeling zijn geweest. In die zaken heeft het College inmiddels uitspraak gedaan op 12 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:496). Na deze uitspraak heeft de onderneming het beroep in deze zaak ingetrokken.



5.2
Gelet op de inhoudelijke samenhang met die procedure en de omstandigheid dat dit beroep na die uitspraak is ingetrokken, heeft de minister naar het oordeel van het College terecht geconcludeerd dat de spanning en frustratie waarvoor thans schadevergoeding wordt gevraagd, uitsluitend is veroorzaakt door onzekerheid over de uitkomst van die andere beroepszaken, waarvoor het College in zijn uitspraak van 12 september 2023 al een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend. Met de uitspraak in die procedure moet de spanning en frustratie waarvoor schadevergoeding wordt gevraagd geacht te zijn geëindigd. Voor het (ook) toekennen van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade in deze zaak bestaat naar oordeel van het College dan ook geen aanleiding en daarmee ook niet voor een kostenvergoeding ziende op het verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding. Het College zal daarom de onder 3 i) en ii) geformuleerde verzoeken afwijzen.


6 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.





Conclusie en proceskosten

7 Het College wijst het verzoek af.

8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.




Beslissing


Het College wijst af het verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van daarmee verband houdende kosten.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.






w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel




Afschrift verzonden aan partijen op: