College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2021:822
2021-07-30
Bestuursrecht
20/1114
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
TOGS. Beroep ongegrond. Verweerder heeft zijn beleid op consistente wijze toegepast.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CBB:2020:992 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22-12-2020
- ECLI:NL:CBB:2020:993 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22-12-2020
- ECLI:NL:CBB:2020:994 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22-12-2020
- ECLI:NL:CBB:2020:995 College van Beroep voor het bedrijfsleven 22-12-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.553 tekens)
proces-verbaal uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1114
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2], te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. S. van Rijn en C. Zieleman).
Beroep
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (de Beleidsregel).
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Verweerder heeft appellant geen tegemoetkoming verstrekt, omdat de SBI-code waarmee hij op de peildatum 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven, niet in Bijlage 1 van de Beleidsregel staat. Daarnaast komt de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeen met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Ook is volgens verweerder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat van de Beleidsregel moet worden afgeweken.
Het College heeft in de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995) geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Verweerder heeft de tegemoetkoming dan ook terecht geweigerd.
4. Dat appellant zwaar is getroffen door de coronacrisis kan hier niet aan afdoen, want dat gegeven is onvoldoende voor het verkrijgen van de tegemoetkoming. Daarvoor is ook een inschrijving in het handelsregister nodig die past bij een van de SBI-codes in Bijlage 1. De feitelijke activiteiten van appellant staan tussen partijen niet ter discussie, maar de registratie in het handelsregister op de peildatum is leidend. Verweerder hoeft geen rekening te houden met wijzigingen die in het handelsregister zijn doorgevoerd na de peildatum, ook niet als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht.
5. De stelling van appellant dat moet worden uitgegaan van de met terugwerkende kracht in het handelsregister toegevoegde bedrijfsactiviteit ‘horeca-dienstverlening’, omdat hij deze toevoeging al in oktober 2019 en nog eens in januari 2020 heeft doorgestuurd naar de Kamer van Koophandel (KvK) volgt het College niet. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de toevoeging daadwerkelijk in oktober 2019 en/of januari 2020 is verstuurd naar de KvK. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de KvK het wijzigingsformulier met de gewenste toevoeging pas op 10 april 2020 heeft ontvangen.
De uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier.
de voorzitter is verhinderd de de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 20/1114
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[naam 1] h.o.d.n. [naam 2], te [plaats] , appellant,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
(gemachtigde: mr. S. van Rijn en C. Zieleman).
Beroep
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (de Beleidsregel).
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
Verweerder heeft appellant geen tegemoetkoming verstrekt, omdat de SBI-code waarmee hij op de peildatum 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven, niet in Bijlage 1 van de Beleidsregel staat. Daarnaast komt de bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet overeen met een andere SBI-code die wél in Bijlage 1 staat. Ook is volgens verweerder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat van de Beleidsregel moet worden afgeweken.
Het College heeft in de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995) geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.
Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Verweerder heeft de tegemoetkoming dan ook terecht geweigerd.
4. Dat appellant zwaar is getroffen door de coronacrisis kan hier niet aan afdoen, want dat gegeven is onvoldoende voor het verkrijgen van de tegemoetkoming. Daarvoor is ook een inschrijving in het handelsregister nodig die past bij een van de SBI-codes in Bijlage 1. De feitelijke activiteiten van appellant staan tussen partijen niet ter discussie, maar de registratie in het handelsregister op de peildatum is leidend. Verweerder hoeft geen rekening te houden met wijzigingen die in het handelsregister zijn doorgevoerd na de peildatum, ook niet als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht.
5. De stelling van appellant dat moet worden uitgegaan van de met terugwerkende kracht in het handelsregister toegevoegde bedrijfsactiviteit ‘horeca-dienstverlening’, omdat hij deze toevoeging al in oktober 2019 en nog eens in januari 2020 heeft doorgestuurd naar de Kamer van Koophandel (KvK) volgt het College niet. Appellant is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de toevoeging daadwerkelijk in oktober 2019 en/of januari 2020 is verstuurd naar de KvK. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de KvK het wijzigingsformulier met de gewenste toevoeging pas op 10 april 2020 heeft ontvangen.
De uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier.
de voorzitter is verhinderd de de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen